Paardenvoeding in Nederland: een open norm, en wie hem invult
Laatst gecontroleerd op 20 september 2026
De Nederlandse wet vraagt een «toereikende hoeveelheid» voer en noemt verder geen enkel getal. Dat is geen slordigheid maar een keuze, en de toezichthouder zegt het zelf hardop: de regels zijn algemeen verwoord. Deze pagina laat zien wie die norm in de praktijk invult, met welk gezag, en welke cijfers werkelijk onderbouwd zijn.
Dit vat gepubliceerde teksten en literatuur samen en vervangt het oordeel van een dierenarts niet. Het rantsoen van een paard hangt af van gewicht, werk, gebit, stofwisseling en het ruwvoer dat er ligt. Wat voor uw paard geldt, bepaalt een dierenarts of een gekwalificeerd voedingsdeskundige — zeker bij hoefbevangenheid, insulineontregeling, maagzweren of ondergewicht.
In België? Lees dan de Vlaamse versie: dierenwelzijn is daar gewestelijk geregeld en de Vlaamse Codex is een heel ander stuk tekst dan het Besluit hier.
Wat het Besluit houders van dieren vraagt
De verplichting staat in artikel 1.7 van het Besluit houders van dieren, de uitwerking van de Wet dieren. Een houder zorgt ervoor dat een dier
een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier
en dat het «toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen».
Meer staat er niet. Geen getal: geen uren toegang tot ruwvoer, geen percentage van het lichaamsgewicht, geen aantal voerbeurten, geen maximale periode zonder voer. Het scharnierwoord is toereikend, en wat toereikend is hangt per definitie van het dier af.
De toezichthouder zegt het zelf: algemeen verwoord
Wat Nederland bijzonder maakt binnen deze reeks is niet dát de wet geen getal noemt — dat doen Spanje, Frankrijk, Italië en Zwitserland evenmin — maar dat de handhaver er openlijk bij zegt dat dit zo bedoeld is. De NVWA, onderdeel van het ministerie, omschrijft de wettelijke regels als «algemeen verwoord» en houdt ze uitdrukkelijk gescheiden van wat zij onder «praktische adviezen» schaart. Over voer zelf zegt zij niet meer dan: «Geef uw paard voldoende water en voer van passende kwaliteit.»
Dat is de Nederlandse constructie in één beeld. De wet zet een open norm; de sector vult hem in; de toezichthouder toetst aan de norm, niet aan de invulling. Wie daaruit afleidt dat er dus niets geldt, leest het verkeerd: een open norm is niet vrijblijvend, hij is alleen niet in getallen uitgedrukt. Een inspecteur beoordeelt of het voer voor dít paard toereikend was, en het antwoord daarop kan ook zonder tabel heel duidelijk zijn.
Wie de norm invult: de Gids voor Goede Praktijken
De invulling komt van de Sectorraad Paarden, in de Gids voor Goede Praktijken, waarvan in mei 2025 een vernieuwde uitgave verscheen — opgesteld met onder meer deskundigen op het gebied van paardenvoeding, de NVWA, het ministerie van LNV, de Dierenbescherming en Dier&Recht.
Eerst het statuut, want dat bepaalt wat u ermee kunt: de Gids is een handleiding, geen regelgeving. De FNRS omschrijft hem als «een goede handleiding voor onder andere de verzorging en huisvesting van het paard», en de NVWA plaatst hem bij de praktische adviezen en niet bij de verplichtingen. Volg hem — hij is het beste wat de sector over deze vraag heeft — maar noem hem geen wettelijke eis.
En dan de getallen, die de wet niet geeft en hij wel:
- Ten minste drie keer per dag ruwvoer. «Tenminste driemaal daags ruwvoer aanbieden, tenzij er sprake is van continu beschikbaar ruwvoer of van weiden in een wei met voldoende gras.»
- Nooit langer dan zes uur zonder. «Het advies is dat paarden idealiter niet langer dan 4, maar nooit langer dan maximaal 6 uur geen toegang tot kwalitatief geschikt ruwvoer hebben.» Voert u bijvoorbeeld elke tien uur, dan moet de portie zó groot zijn dat het paard er minstens vier tot zes uur over doet.
- Ten minste 1,5 % van het lichaamsgewicht aan droge stof ruwvoer — in de praktijk 1,8 kg hooi of 2 kg voordroogkuil per 100 kg lichaamsgewicht, en waar nodig op te hogen tot 2 kg droge stof per 100 kg.
- Maximaal 2 kg krachtvoer per voerbeurt voor een paard en 1 kg voor een pony, en «nooit meer kilogram droge stof krachtvoer dan droge stof ruwvoer».
- Ruwvoer eerst. Krachtvoer komt pas ná het ruwvoer, met het advies te wachten tot het paard ten minste dertig minuten ruwvoer heeft kunnen eten; na een vastenperiode van vier tot zes uur moet de eerste maaltijd ruwvoer zijn.
- Overgangen geleidelijk, over ongeveer vijf dagen — of het nu om een andere partij ruwvoer gaat of om ander krachtvoer.
- Stro hooguit 30 % van de portie, als u het bijmengt om de eettijd te rekken.
De Gids onderbouwt die uurgrens met dezelfde fysiologie die de rest van deze pagina draagt: het paard is van oorsprong een dier dat «zo'n 16 uur per dag steeds kleine hoeveelheden redelijk grof ruwvoer eet», de maag produceert continu zuur, en speeksel — de buffer — komt alleen vrij tijdens het kauwen. Let op het verschil met wat er in stallen weleens rondgaat: die zestien uur is hier een beschrijving van natuurlijk graasgedrag, geen voorgeschreven toegangstijd.
Bijna elk gepubliceerd cijfer is per kilo lichaamsgewicht
Dat is de praktische reden om voer te wegen in plaats van scheppen te tellen. De aanbevelingen hieronder staan in grammen of percentages per kilo lichaamsgewicht van het paard, en geen ervan is toe te passen op «een halve schep» zonder twee dingen te weten: wat het paard weegt en wat er in de schep gaat.
Een schep is een volume, en voeders verschillen in dichtheid — dezelfde schep bevat van twee producten een merkbaar verschillend gewicht, en een bolle schep is geen afgestreken schep. Weeg de schep van elk voer één keer op een keukenweegschaal en schrijf het getal op de ton. Die ene meting maakt elke aanbeveling op deze pagina controleerbaar, en ook elke aanbeveling uit de Gids.
Zetmeel: de twee cijfers met onderbouwing
Waar het Besluit zwijgt, is de ECEIM-consensustekst over maagzweren bij het volwassen paard ongewoon concreet:
Het rantsoen zou niet meer dan 2 g/kg lichaamsgewicht zetmeel per dag mogen bevatten, en niet meer dan 1 g/kg lichaamsgewicht per maaltijd.
Voor een paard van 500 kg is dat 1 kg zetmeel per dag en 500 g in één maaltijd. Dezelfde tekst meldt dat boven 2 g/kg per dag de kans op een squameuze maagaandoening van graad 2/5 of erger ongeveer verdubbelt.
Let op wát er begrensd wordt: zetmeel, niet voer. Een kilo mengvoer met 20 % zetmeel bevat 200 g zetmeel; een kilo graanrijke brok met 40 % het dubbele. Dat percentage staat op de zak of is op te vragen bij de fabrikant — zonder dat getal is de grens niet te berekenen, alleen te gokken. Hier komen de twee sporen samen, en opvallend precies. De Gids drukt dezelfde grens uit in kilo's brok: een paard van 600 kg «zou nooit meer dan 2 kg krachtvoer per voerbeurt moeten krijgen», en «dat betekent voor een paard van 600 kg dat er niet meer dan 600 g zetmeel per voerbeurt gegeven mag worden». Zeshonderd gram voor 600 kg is exact 1 g/kg lichaamsgewicht — hetzelfde getal als de consensustekst, langs een andere weg bereikt. Wat die Nederlandse vuistregel u bespaart is de rekensom; wat ze niet kan weten is het zetmeelpercentage van úw zak, en dus of die 2 kg bij úw brok werkelijk onder de grens blijft.
Waar het bewijs zwakker is dan het advies
«Geef meer ruwvoer, dan lossen die maagzweren zichzelf op» is de meest herhaalde bewering in dit onderwerp. De consensustekst steunt ze niet in die vorm. Hij noteert dat vrije toegang tot vezelrijk voer breed wordt verondersteld het risico op maagzweren te verlagen «hoewel sterk bewijs voor die overtuiging eveneens ontbreekt», en dat in een studie die een vezelrijk rantsoen vergeleek met een iso-energetisch vezelarm rantsoen zowel het aantal als de ernst van de squameuze letsels groter was in de vezelrijke groep. Over weidegang noemt hij het bewijs tegenstrijdig.
Niets daarvan maakt ruwvoer onbelangrijk — het blijft de basis van het rantsoen, en stro als enig ruwvoer hangt samen met meer squameuze aandoeningen. Het betekent iets smallers en bruikbaarders: ruwvoer alleen is geen behandeling, en een paard met verdenking op maagzweren heeft een dierenarts en een scopie nodig, geen groter hooinet en nog eens zes weken.
Een pagina die u alleen de comfortabele helft van de literatuur vertelt, verdient uw vertrouwen over de rest niet.
Het paard dat dik wordt van kijken: de cijfers om af te vallen
Voor obesitas en insulineontregeling adviseert de ECEIM-consensustekst over het equien metabool syndroom een rantsoen op basis van grassenhooi van meerdere soorten op 1,25–1,5 % van het werkelijke lichaamsgewicht aan droge stof, oftewel 1,4–1,7 % zoals verstrekt. De tekst erkent zelf discussie over de optimale mate van beperking, «uit zorg over het niet halen van de minimale ruwvoerbehoefte» — daarom is dit een cijfer dat u met de dierenarts toepast en niet alleen.
Twee bevindingen uit dezelfde tekst, te kennen vóór u de routine vastlegt:
- Weken werkt, maar is niet nauwkeurig. Hooi 7 tot 16 uur weken op omgevingstemperatuur verlaagt de in water oplosbare koolhydraten met 24 tot 43 %, en gaat samen met meer dan het dubbele gewichtsverlies vergeleken met hetzelfde droge hooi. De marge is breed omdat hooi varieert — weken verlaagt de suiker, het standaardiseert ze niet.
- Minder uren weidegang beperkt de opname vaak niet. Het paard compenseert door sneller te eten: meer dan 0,9 % van het lichaamsgewicht aan droge stof is gemeten in slechts drie uur weidegang. Graasmaskers brengen de opname terug tot 77–83 % van die zonder masker, terwijl het paard blijft zoeken en bewegen.
Graanrijke voeders en snoepjes van fruit of groente vallen om dezelfde reden buiten deze rantsoenen: hun gehalte aan niet-structurele koolhydraten.
Conditiescore: het cijfer dat zegt of het gewerkt heeft
Alles hierboven is invoer — wat er in de emmer gaat, hoeveel en hoe vaak. De conditiescore is de uitvoer: een schatting met de handen van de vetbedekking op vaste punten, en het enige dat antwoord geeft op de vraag waarvoor het rantsoen gekozen is. Werkt het?
Ze bestaat omdat het oog niet betrouwbaar is, en niet vaag. De consensustekst over het metabool syndroom noteert dat meerdere studies een neiging hebben vastgesteld bij eigenaars van te dikke paarden om de conditie van hun dier te onderschatten, en zet daar een ongemakkelijke verklaring naast: paardenobesitas is inmiddels algemeen genoeg om «te leiden tot gewenning en aanvaarding van die toestand als schijnbaar normaal». De stal waar uw paard staat heeft uw oog geijkt, en niet noodzakelijk goed.
Twee schalen, en het cijfer zegt niets zonder te weten welke
- 1 tot 9 — Henneke e.a., 1983. 1 is uitgemergeld, 9 extreem vet. Het is de schaal van het meeste gepubliceerde onderzoek, de ECEIM-tekst inbegrepen.
- 0 tot 5 — Carroll en Huntington, 1988. 0 is uitgemergeld, 5 extreem vet; 2 en 3 beschrijven matige en goede conditie. Deze schaal is in Nederland en het Verenigd Koninkrijk het meest gangbaar.
Een 3 is dus een mager paard op de ene schaal en een paard in goede conditie op de andere. Noteer 3/5 of 3/9, nooit 3: het is precies het detail dat één gesprek overleeft en bij het volgende weg is. Voor wie het vergelijkt: het Italiaanse paardencodex koos de 1-tot-9-schaal expliciet — hier is die keuze nergens gemaakt, dus moet u hem zelf opschrijven.
De hals wordt apart gescoord
Het vet op de halskam krijgt een eigen cijfer, omdat het het overige paard niet volgt en niet hetzelfde betekent. De halskamscore loopt van 0 (geen kam) tot 5 (een grote kam die naar één kant omvalt), en vanaf 3 spreekt men van een kam. Carter e.a., die de score beschreven, noemden hem «bruikbaar bij de beoordeling van vetzucht van de halskam» en met «fysiologische relevantie, aangetoond door de verbanden met bloedwaarden» — de halsmaten die hij volgt waren die welke met insuline correleerden. De ECEIM-tekst rekent regionaal overtollig vet mee in de definitie van obesitas en meldt dat bij 33 % van de paarden in een onderzoek in het zuidwesten van Engeland.
Waar de score zwakker is dan ze klinkt
- Hij vlakt bovenaan af. Het verband tussen totaal lichaamsvet en score is niet meer lineair «boven 7/9»; daarboven meet de lichaamsmassa beter.
- Hij kan stilstaan terwijl het rantsoen werkt. De tekst meldt «wisselend gerapporteerde veranderingen» na 6 tot 12 weken energiebeperking. Een score die twee maanden niet bewoog is op zichzelf geen bewijs van mislukking.
- De eerste week is grotendeels geen vet — «door verminderde darmvulling» zodra de opname daalt.
- Hij kan na twaalf weken stokken, doordat de ruststofwisseling zich naar beneden aanpast. Een plateau is een reden om terug te gaan naar de dierenarts, niet om op eigen houtje verder te snijden.
Vandaar: beide cijfers, en geen van beide op het oog. Voor de massa noemt de tekst een weegbrug ideaal, met meetlinten en apps die buik-, borstomvang- en kruismaten combineren als bruikbare alternatieven; de score zegt waar die massa zit.
Schrijf het op, want u bent niet degene die voert
Alle cijfers hierboven sneuvelen op hetzelfde: het rantsoen dat in iemands hoofd zit. Wie op zaterdag het voer klaarmaakt is zelden wie het bepaald heeft, «een schep» die in maart is afgesproken is tegen augustus verschoven, en een wijziging die dinsdag om een goede reden werd doorgevoerd is onzichtbaar voor wie er woensdag staat.
Schrijf het rantsoen op waar iedereen die voert het kan lezen — wat, hoeveel, wanneer en welke dagen. De Gids vraagt dit met zoveel woorden: het dagelijks voermanagement «bestaat uit het opstellen van een voerschema waarin voertijden, voersoorten en voerhoeveelheden per paard zijn opgenomen», idealiter opgesteld aan de hand van een ruwvoeranalyse. En bij een open norm is zo'n schema bovendien uw eigen bewijsstuk: «toereikend» laat zich veel makkelijker aantonen met een plan dat er al lag dan met een herinnering achteraf.
Eén plan dat iedereen die voert kan lezen
EquiDiary bewaart het voederplan bij het paard zelf: wat het krijgt, hoeveel, wanneer en welke dagen. Iedereen met wie het paard gedeeld is leest hetzelfde plan — op stal, offline, waar geen bereik is — en alleen de eigenaar kan het wijzigen. Wijzigt u het, dan biedt de app aan het in het dagboek te noteren, zodat wat het paard vorige maand kreeg een vraag met antwoord blijft. Even weg? Een deellink brengt het plan bij wie er voert, zonder account.
Bronnen
- Besluit houders van dieren, artikel 1.7: een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer, en toegang tot water van passende kwaliteit — zonder getal
- NVWA — Paardenwelzijn: «Geef uw paard voldoende water en voer van passende kwaliteit», met de wettelijke regels omschreven als algemeen verwoord en de Gids voor Goede Praktijken geplaatst bij de praktische adviezen
- Gids voor Goede Praktijken — leidraad voor het houden van en de omgang met paarden, Sectorraad Paarden, uitgave mei 2025 (driemaal daags ruwvoer, de grens van 4 tot maximaal 6 uur, 1,5 % droge stof, 2 kg krachtvoer per voerbeurt en 600 g zetmeel voor een paard van 600 kg, het voerschema) — handleiding, geen regelgeving, en herzien, dus kijk of er een nieuwere uitgave is
- Sykes e.a. — European College of Equine Internal Medicine Consensus Statement: Equine Gastric Ulcer Syndrome in Adult Horses, Journal of Veterinary Internal Medicine 29(5):1288 (zetmeel per maaltijd en per dag, ruwvoer, weidegang, stro)
- Durham e.a. — ECEIM consensus statement on equine metabolic syndrome, Journal of Veterinary Internal Medicine 33(2):335 (beperkte opname, hooi weken, graasmaskers, niet-structurele koolhydraten, grenzen van de conditiescore)
- Henneke e.a., Equine Veterinary Journal 15(4):371 (de schaal 1 tot 9)
- Carroll en Huntington, Equine Veterinary Journal 20(1):41 (de schaal 0 tot 5)
- Carter e.a., The Veterinary Journal 179(2):204 (de halskamscore)
- National Research Council — Nutrient Requirements of Horses, 6de herziene editie
Met DOI geciteerd en niet met een uitgeverslink, met opzet: beide consensusteksten zijn sinds publicatie van uitgever veranderd en de DOI's overleefden die verhuizing. Consensusteksten en praktijkgidsen worden herzien; kijk of er een nieuwere editie is voor u erop steunt.
Ook beschikbaar in Nederlands (Vlaanderen) · English (US, UK) · Deutsch (Deutschland, Österreich, Schweiz) · Français (France, Belgique, Suisse) · Español (España, México) · Italiano (Italia, Svizzera) — dezelfde vraag, dertien normatieve antwoorden, en Nederland is het land dat het open laten met zoveel woorden toegeeft.
Verder: trainingsbelasting van het paard — hoeveel werkt het echt, en hoe weet u dat.